|
HET HUISJE IN DE SNEEUW
door W.G. van de Hulst, kerstfeest 1958
't Was midden in de nacht. De maan keek om een hoek je En God had heel veel macht. Het was zo bitter koud. Klein Boppie was verdwenen Zijn vrijheid snel berouwd. Een kurkje op de tuit. Dat waren koude winters, Sneeuw dempte elk geluid. En in de klompen hooi, Het waren ferme jongens, De wereld angstig, mooi. Raakte aan dennengeur, De smaak van chocolade, Een kerstkrans aan de deur. Vrede slechts oponthoud. 't Was midden in de winter En helemaal niet koud. |
Terug
|